Achtergrond theorie en begrippen

Waarom lossen sommige stoffen op in water en andere niet?

Femke van Dijk Femke van Dijk
· · 4 min leestijd

Je gooit een theelepel suiker in je thee en verdwijnt als sneeuw voor de zon. Maar gooi je zand in water en het blijft gewoon liggen. Waarom? Het antwoord zit hem in de moleculen — en in een simpel principe dat alles bepaalt.

Inhoudsopgave
  1. Het geheim achter oplossen: soort soort zoekt soort
  2. Waarom olie niet mengt met water
  3. Temperatuur en druk: het maakt uberhaupt uit
  4. Enkele voorbeelden uit het dagelijks leven
  5. Samengevat: het draait om interactie tussen moleculen

Het geheim achter oplossen: soort soort zoekt soort

De gouden regel in de chemie luidt: oplosmiddel en opgeloste stof moeten bij elkaar passen. Maar wat betekent dat precies?

Water is een polaire stof. Dat betekent dat een watermolecuul een kleine positieve kant heeft (bij de waterstofatomen) en een kleine negatieve kant (bij het zuurstofatoom). Je kunt het zien als een magneet met een plus- en een minpool.

Stoffen die goed oplossen in water — zoals suiker, zout of alcohol — hebben vaak dezelfde eigenschap: ze zijn ook polaire.

De positieve en negatieve kanten van de watermoleculen trekken de polaire moleculen van de opgeloste stof aan, en trekken ze uit elkaar. Zo verdwijnt je suikerletterlijk op moleculair niveau in het water.

Waarom olie niet mengt met water

Olie is een apolair stof. De moleculen hebben geen duidelijke positieve of negatieve kant.

Watermoleculen trekken elkaar veel harder aan dan ze olie aantrekken. Het gevolg? Olie wordt door het water letterlijk weggeduwd. De olieclusters blijven bij elkaar en vormen een aparte laag. Je ziet dit elke dag: een druppel olie in water blijft als een klontje drijven.

Enthalpie en entropie: de drijvende krachten

Zelfs als je er hard doorheen roert, na een paar minuten scheiden de twee stoffen weer. Ze zijn simpelweg niet compatibel.

  • Entropie: stoffen willen altijd zo wijd mogelijk verspreid zijn. Oplossen betelt dat de moleculen zich over een groter volume verdelen. Dat is energetisch gunstig.
  • Enthalpie: dit gaat over de energie die vrijkomt of nodig is bij het breken en vormen van bindingen. Als de nieuwe bindingen (tussen water en opgeloste stof) sterker zijn dan de oude, lost de stof makkelijker op.

Oplossen is niet alleen kwestie van "soort zoekt soort". Er spelen twee grote natuurkundige factoren mee:

Als de entropie- en enthalpie-effecten samen een negatieve Gibbs vrije energie opleveren, dan lost een stof spontaan op. Zo werkt de natuur: altijd op zoek naar de laagste energietoestand.

Temperatuur en druk: het maakt uberhaupt uit

Benieuwd waarom sommige stoffen oplossen in water en andere niet? De oplosbaarheid hangt niet alleen af van wat het is, maar ook van de omstandigheden.

Temperatuur is een grote speler. De meeste vaste stoffen lossen beter op bij hogere temperaturen.

Suiker lost bijvoorbeeld bij 20 °C voor 204 gram op in 100 milliliter water. Bij 100 °C is dat maar liefst 487 gram. Voor gassen geldt het omgekeerde: koud water kan meer gas opwarmen dan warm water. Daarom ontspringt er meer bellen uit warm waterkoker dan uit een koude fles frisdrank.

Druk speelt vooral een rol bij gassen. Hogere druk dwingt gasmoleculen het water in.

Dit principe gebruikt Coca-Cola bij het koolzuur in hun frisdrank. De fles is onder druk gevuld, waardoor veel CO2 oplost. Zodra je de dop opent, daalt de druk en ontsnapt het gas als bubbels.

Enkele voorbeelden uit het dagelijks leven

Deze principes zie je overal: Dan heb je een emulgator nodig.

  • Zout (NaCl) lost goed op in water omdat de ionen (Na⁺ en Cl⁻) sterk worden aangetrokken door de polaire watermoleculen. Bij kamertemperatuur lost ongeveer 36 gram zout op in 100 milliliter water.
  • Ethanol (drink-alcohol) mengt volledig met water. Ethanol heeft een polaire OH-groep die goed bindt met watermoleculen. Daarom kun je wijn en water in elke verhouding mengen.
  • Chloor in zwembaden lost als gas in water, maar slechts in kleine hoeveelheden. De oplosbaarheid van chloorgas in water is ongeveer 7,3 gram per liter bij 25 °C en normale druk.
  • Kalk (calciumcarbonaat) is nauwelijks oplosbaar in water — slechts 0,0013 gram per 100 milliliter. Daarom zie je kalkaanslag op je kraan en in de waterkoker.

Wat als je een apolaire stof toch in water wilt krijgen?

Een emulgator is een molecuul met een polaire kant én een apolaire kant. De polaire kant bindt met water, de apolaire kant met olie. Zo ontstaat een stabiele mengsel: een emulsie.

Mayonaise is het bekendste voorbeeld. Eigeel bevat lecithine, een natuurlijke emulgator.

Die zorgt ervoor dat azijn (waterig) en olie toch een smeuïge saus vormen. Zonder eigeel scheiden ze binnen seconden.

Samengevat: het draait om interactie tussen moleculen

Of een stof oplost in water hangt af van drie factoren: De volgende keer dat je suiker in je koffie roert, weet je precies wat er op moleculair niveau gebeurt. En als je olie over je salade giet, snap je waarom het water er gewoon vanaf drijft.

  1. Polariteit: polaire stoffen lossen goed op in polaire oplosmiddelen zoals water.
  2. Temperatuur: hogere temperatuur vergroot meestal de oplosbaarheid van vaste stoffen, maar verlaagt die van gassen.
  3. Druk: vooral relevant voor gassen — meer druk betekent meer oplosbaarheid.

Femke van Dijk
Femke van Dijk
Gediplomeerd scheikunde leraar en experimentator

Femke is een scheikundeleraar met passie voor praktische experimenten.

Meer over Achtergrond theorie en begrippen

Bekijk alle 33 artikelen in deze categorie.

Naar categorie →
Lees volgende
Wat is scheikunde eigenlijk en waarom is het overal om je heen?
Lees verder →